Europa’s punt op oneindig

Vijf presidenten smeden vier unies om de éne Economische en Monetaire Unie te vervolledigen. De queeste moet Europa leiden naar een “echte” Economische Unie, een Financiële Unie (met inbegrip van een Banken- en een Kapitaalmarktenunie), een Fiscale Unie en uiteindelijk een Politieke Unie. Morgen [vrijdag] brengt het bonte genootschap Jean-Claude Juncker, Donald Tusk, Jeroen Dijsselbloem, Mario Draghi en Martin Schulz verslag uit van hun vorderingen. Codewoord is “convergentie,” één van de meest voorkomende woorden in eurospeak waarin steeds minder Europeanen dezelfde betekenis zouden herkennen – of erkennen.

Het woord stamt nog uit de eerste era van de EMU, ten tijde van het Verdrag van Maastricht, toen het economische en monetaire beleid van de lidstaten die in 1999 de euro wilden invoeren naar dat van elkaar toe moest groeien. In het bijzonder de overheidsschuld moest convergeren naar een vooruitziend niveau. Over die betekenis van convergeren in de enge zin zwijgen we zedig.

De EMU was bedoeld om een welvarende plek te zijn, gebaseerd op evenwichtige economische groei en stabiele prijzen, een competitieve sociaal gecorrigeerde markteconomie die streeft naar volledige tewerkstelling en maatschappelijke vooruitgang, aldus nog de Vijf. Om die lotsbestemming waar te maken, is economische convergentie vereist: tussen de lidstaten richting een zo groot mogelijke welvaart, en binnen de Europese samenlevingen [meervoud] om ons unieke maatschappijmodel te koesteren.

Wat Juncker en zijn concullega’s met convergentie bedoelen, blijken structurele economische hervormingen te zijn – u kent ze wel – die iedere lidstaat moeten optillen tot hij aan de hoogste standaarden beantwoordt. Elke lidstaat mag dat proces op zijn eigen “politieke” manier invullen. Maar net zoals evenwijdige lijnen elkaar ontmoeten in hun punt op oneindig, is het einddoel niet voor interpretatie vatbaar. Net zoals in de jaren negentig zijn lidstaten die niet voldoende convergeren dan ook niet gewenst op het feest van risicodeling, gezamenlijke fiscale stabilisering en ander moois uit de vier unies van de vijf presidenten. Vergelijkbare reële inkomens per inwoner zijn een noodzakelijke voorwaarde om mee te mogen doen, geen gelukkig gevolg of wensbeeld van meer Europese Unie.

Ook hier staan tussen droom en daad wetten in de weg en praktische bezwaren. De kloof tussen arm en rijk in Europa is aanzienlijk, getuige de wereldwijde rangschikking van de landen op het gebied van competitiviteit of economische prestatie: tussen de nummer één van het continent en de zwakste schakel liggen in beide gevallen meer dan honderd plaatsen.

2015WEFEurope.002 2015WEFEurope.001

Convergentie is niet onmogelijk. Toch stellen economen vast dat de snelheid waartegen armere landen rijke landen inhalen merkwaardig consistent is. Of het nu gaat om de Staten van Amerika, de regio’s van Europa of Japanse prefecturen, convergentie gebeurt a rato van 2% per jaar. Het duurt met andere woorden vijfendertig jaar voor het verschil in bijvoorbeeld reëel inkomen per capita halveert. Terwijl het reële inkomen van de gemiddelde Belg of Duitser vergelijkbaar zijn, bedraagt het wel het dubbele van het Griekse, drie keer dat van een Pool en tien keer zoveel als dat van een inwoner uit Macedonië. Laat nu Juncker & co ten laatste over tien jaar de Economische en Monetaire Unie vervolmaken…

Carl Friedrich Gauss, prins der wiskundigen, berispte ooit een mindere god dat je niet mag rekenen alsof een limiet daadwerkelijk bereikt werd, zelfs wanneer alle voorwaarden voor convergentie voldaan zijn. Das Unendliche ist nur eine façon de parler. Het valt dan ook te bezien of Europa’s punt op oneindig niet letterlijk een vluchtpunt of een verdwijnpunt van dat perspectief zal zijn.

Leave a Reply

 

 

 

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>