Europa’s vermiste markt (Tegen euro-obligaties)

Tragi-economisch grapje: waarom is een monopolist een afzetter? – omdat hij anders door zijn klanten wordt afgezet.

 

De lezer zal mij vergeven dat ik de pointe toch uitleg. Het wezenlijke kenmerk van een monopoliegoed is dat er te weinig van wordt aangeboden aan een te hoge prijs. De monopolist weet immers niet precies hoeveel waarde de potentiële klant aan zijn product hecht. Een “lage-type” klant hecht betrekkelijk weinig waarde aan het product terwijl het hoge type er meer waarde aan toekent. Idealiter zou de monopolist het type van de klant kennen en haar dan een aangepast aanbod doen met een overeenkomstige prijs. In werkelijkheid is het aanbod voor het hoge type optimaal: de waarde voor de consument komt overeen met de productiekost. Maar het aanbod aan de lage-type klant is niet optimaal voor de samenleving: de monopolist zal minder aan dit type klant aanbieden dan zij zou willen.

De reden is dat de monopolist een klant van het hoge type niet in de verleiding wil brengen zich valselijk voor te doen als een lage-type klant om zo minder te moeten betalen. De monopolist gebruikt in feite het gevraagde verbruik van de klant als aanwijzing voor haar ware aard. Door meer van het product te vragen dan een lage-type klant zou doen, maakt de hoge-type klant kenbaar dat ze bereid is om meer te betalen voor het product. En daarvan maakt de monopolist dankbaar gebruik om meer aan te rekenen dan maatschappelijk optimaal is.

Een optimaal belastingstelsel maakt overigens ook gebruik van dit identificatiemechanisme. Omdat onze capaciteit om geld te verdienen private informatie is, gebruikt de overheid het gerapporteerde inkomen als onrechtstreekse graadmeter – en als prikkel – om te bepalen hoeveel we (kunnen) bijdragen aan de samenleving.

Een soortgelijk vraagstuk doet zich voor op macro-economische schaal in Europa. De Europese Centrale Bank kan maar één type beleid voeren. Dat beleid is niet noodzakelijk het best passende beleid voor iedereen in de eurozone. De ontwerpfout in de Economische en Monetaire Unie is het ontbreken van markten en beheersinstrumenten die voldoende verschil kunnen maken tussen de verschillende lidstaten, zoals het prijs-per-typebeleid van de monopolist of de (complexe) belastingregels dat wel willen doen. Die ontwerpfout is geen vergetelheid. Ze schippert tussen de hoop en een doelbewuste poging om de verschillen tussen de Europese landen te doen verdampen.

De geschiedenis van de eurozone laat zich in één grafiek vatten: het verloop van de rente op overheidsobligaties uitgegeven door de lidstaten. De grafiek lijkt op de pompons van cheerleaders: een waaier aan rentevoeten die aan het einde van de vorige eeuw in de houdgreep van Europa werden gedwongen om er tien jaar later als een duiveltje uit een doosje weer uit te breken. Niet de recente explosie van de Griekse of Spaanse spread is de anomalie. Het onwerkelijke is de vermeende of verhoopte “convergentie” tijdens de voorbije decennia. Onderzoekers aan de ECB lieten onlangs nog weten dat ze geen enkel spoor konden vinden van een mogelijke convergentie van de productiviteit in de onderscheiden Europese landen. (Toch. Eentje: in financiële dienstverlening.)

De oplossing voor het falen van een markt – zoals de verstoring door monopolies of het optreden van ongewenste effecten – is markten en instrumenten creëren waarin die zogenoemde externaliteiten verhandeld – “geïnternaliseerd” – kunnen worden.  De markt voor uitstootrechten bijvoorbeeld wil de vervuiler laten betalen voor het effect op zijn buren. De kosten van een publiek goed, denk: bruggen en wegen, moeten over alle gebruikers worden verdeeld.

De oplossing kan er niét in bestaan het aantal markten te reduceren zoals de voorstanders van euro-obligaties willen. Renteverschillen onzichtbaar maken in de hoop dat ze zullen verdwijnen getuigt niet van volwassen gedrag. Economen kennen mechanismen die toelaten om waarheidsgetrouw de uiteenlopende bereidheid van de lidstaten om te betalen voor dit “publieke goed” te bepalen. Die mechanismen kunnen zelfs een billijke onderlinge compensatie tussen de landen berekenen. Euro-obligaties op dit ogenblik invoeren zal tot dezelfde grafiek leiden als de cheerleaderpompon van de rentevoeten. Het uiteinde aan deze zijde ziet er – misschien – verleidelijk uit, met verdampende risicopremies voor de zwakkere broertjes en liquiditeitsboni voor de sterkere schouders. Maar het is niet meer dan bang afwachten tot het duiveltje opnieuw uit het doosje springt.

[published on ItineraBlog]

Leave a Reply

 

 

 

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>